Ritten

Deze column wordt geschreven een paar dagen voordat het OKT begint. OKT? Ja, dat is het Olympisch Kwalificatie Toernooi waarbij duidelijk moet worden welke schaatsenrijders ons land gaan vertegenwoordigen tijdens de komende Olympische Winterpelen in Milaan. In onderlinge ritten wordt uitgemaakt welke negen mannen en welke negen vrouwen de meeste kans maken op medailles -want daar schijnt het tegenwoordig om te gaan. Over de Olympische gedachte ‘meedoen is belangrijker dan winnen’ heeft niemand het meer. Dat OKT is volgens mij een totaal overbodig en in wezen ook een belachelijk evenement. Net als al die wereldbekerwedstrijden trouwens. Het op tv uitzenden hiervan kost ook nog eens een vermogen. Dus, hierbij mijn gratis tip voor de publieke omroep om fors te kunnen bezuinigen: afschaffen die dure onzin. Daar komt bij dat het bij dat OKT ook gaat om zogenaamde ‘aanwijsplekken’ waardoor een aantal schaatsenrijders eigenlijk al zeker kan zijn van hun deelname. Nogal oneerlijk lijkt me. En dan wordt er ook nog gebruik gemaakt van een zogenaamde ‘matrix’ die in kaart moet brengen op welke afstanden we kans maken op de meeste medailles. Dit kan theoretisch inhouden dat ons land op bepaalde afstanden meerdere rijders laat meedoen en op andere geen of hooguit één. Dat was ooit anders en daarom zou ik zeggen: stuur achttien sporters naar Milaan die op alle afstanden mee kunnen doen, die in dit lopende schaatsseizoen de beste ritzeges hebben geboekt en in vorm zijn. Klaar is Kees. Kees? Bij die naam denk ik dit verband aan Kees Verkerk die samen met Ard Schenk tussen pakweg 1964 en 1972 (toen alle wedstrijden nog buiten werden verreden en er nog geen klapschaatsen waren) furore maakte als langebaanschaatser.
Dat was de tijd dat alles nog wat overzichtelijk was. Er was jaarlijks een Nederlands kampioenschap, een Europees-, en Wereldkampioenschap en eens in de vier jaar waren er Olympische Winterspelen. En geen OKT dus en geen wereldbekerwedstrijden! Het was de tijd dat ik met vele anderen tijdens de tv-uitzendingen de rondetijden en de ritzeges bijhield op een speciaal daarvoor gemaakte krantenpagina. De uitslagen die later in de krant verschenen werden uitgeknipt en in een plakboek gedaan. Zo’n plakboek heb ik nog. Zo lees ik in de krant, Trouw van 30 januari 1966, dat Kees Verkerk uit Puttershoek Europees kampioen allround (de rijders reden alle afstanden) was geworden. Dat gebeurde op de buitenbaan in Jahti in Finland bij 26 graden onder nul! Een maand later kopte de krant: ‘Nederlanders niet te verslaan in Gothenburg’. Ard en Keessie waren tweede en eerste geworden bij het wereldkampioenschap. De rittijden van Kees: 500m 43,4 (33,61), 1500m 2.12.9 (1.40.17), 5000m 7.42.9 (6.00.23), 10.000m 16.21.6 (12.25.69), met tussen haakjes de rittijden zoals die recent werden gereden door specialisten, want allrounders zijn er niet meer.

Kees Verkerk die de bocht neemt tijdens het EK schaatsen in februari 1966 in Göteborg.
Bron: www.nationaalarchief.nl

Tijdens de Olympische Spelen in Milaan zullen we de Nederlandse uitverkorenen aan het werk zien. Ik kijk ernaar uit. Is het trouwens bij iedereen bekend dat Nederland in 1928 in St. Moritz voor de eerste keer meedeed aan de Winterspelen? Met een bobsleeploeg en twee schaatsenrijders. Een van die twee was IJsselmondenaar Siem Heiden. Over hem later meer. Wat hebben het schaatsenrijden en de wijkbus als overeenkomst? Bij beide staan de ritten centraal. Schaatsers moeten tijdens hun ritten het beste uit zichzelf halen. De wijkbus moet veel ritten maken om te kunnen voortbestaan. Daar zijn veel leden voor nodig die die ritten aanvragen. Door veranderende omstandigheden, zoals de ontwikkeling van de bevolkingssamenstelling en de toenemende druk van de concurrentie, staat het ledenaantal en het aantal ritten onder druk. Het jaar 2026 wordt dus een spannend jaar.